Op 13 januari 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) (ELCI:NL:RVS:2016:75) ten aanzien van de Dienstenrichtlijn. Op 20 juni 2018 heeft de Afdeling naar aanleiding van de HvJ uitspraak een vervolguitspraak gedaan over het bestemmingsplan ‘Centrum Appingedam’ (ECLI:NL:RVS:208:2062).

De Raad van State heeft weer eens uitspraak gedaan over de juridisch-planologische regeling van evenementen in een bestemmingsplan. In de lijn van de vorige uitspraken oordeelt de bestuursrechter ook nu weer, dat het feit dat evenementen al jaar en dag plaatsvinden op de betreffende locatie en in de omvang zoals in het geldende bestemmingsplan is geregeld, de gemeente niet ontslaat van de verplichting om aan te tonen dat deze evenementen ter plaatse ook in ruimtelijk opzicht aanvaardbaar zijn.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening (aanvaardbaar woon- en leefklimaat) moet je ook aandacht besteden aan de hobbymatige teelt van fruitbomen. Ook hier worden / kunnen bestrijdingsmiddelen gebruikt worden.

ABRvS 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1375, 201702531/1/A1

Wanneer een besluit dat strekt tot opschorting van de beslistermijn (hierna: verdagingsbesluit) niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, maar wel tijdig bekend is bij de aanvrager omdat het naar hem persoonlijk is toegezonden, heeft het besluit volgens de Afdeling desondanks werking. Dit betekent dat de beslistermijn wordt verlengd. In casu is er dan ook geen sprake van een vergunning van rechtswege. 

Door alle projecten die met behulp van de Crisis- en herstelwet (of zonder hulp) vooruitlopen op de Omgevingswet staat de wijze van regelen in een bestemmingsplan in de spotlights. Niet dat je er goede sier mee kunt maken op een verjaardag al zou ik daar zelf een heel eind mee kunnen komen. Bij uitspraken van de ABRS ben ik gelet op het hiervoor gestelde dan ook telkens heel benieuwd of ook de ABRS mee gaat met de trend. In onderhavige uitspraak is een regeling voor een evenemententerrein opgenomen. Een regeling met geluidnormen en eindtijden. Zelfs een voorwaardelijke regeling (ja, mits of eigenlijk meer een nee, tenzij zonder verbod met vergunningplicht). Volgt u het nog? Mijn hart gaat in ieder geval sneller kloppen, wat doet de Afdeling……..?

Lessen voor de praktijk:

Het onderbouwen van je besluit met een onderzoek (dpo) zorgt ervoor dat een appellant zijn gronden van beroep (extra) goed moet onderbouwen;

Besteed naast het kwantitatieve aspect van de behoefte (cijfers) ook aandacht aan het kwalitatieve aspect;

Het is niet de vraag of er leegstand ontstaat, het is de vraag of die leegstand onaanvaardbaar is (vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening). In dat kader mag ook het argument van herinvulling (herbestemming) van leegkomende panden een rol spelen.

Op 1 november 2014 treedt de AMvB in werking die o.a. het Besluit omgevingsrecht wijzigt (in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet). Deze AMvB ‘vereenvoudigt’ (ik vermoed onder het mom van waarom wachten op de Omgevingswet als het nu al eenvoudiger kan) onder andere:

Belangrijk: volg de aanwijzingen uit een onderzoeksrapport op als je dit onderzoeksrapport zonder nadere onderbouwing aan een besluit (bestemmingsplan) ten grondslag legt. Beter: zorg voor een goede vraagstelling bij het uitzetten van een onderzoek!

Twee uitspraken over de ladder waar onder andere (en eigenlijk vooral) de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling centraal staat. De uitspraken kennen een wisselende uitkomst.

Als gevolg van de toenemende leegstand van winkel- en kantoorpanden, eisen de wetgever en de rechter een uitgebreidere motivering bij de ontwikkeling van nieuwe, stedelijke voorzieningen. De onderbouwing van de voorgenomen ontwikkeling dient mede aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld te worden. Daarnaast zal ook aandacht gegeven moeten worden aan een efficiënt ruimtegebruik en de ruimtelijke kwaliteit.

Een bestemmingsplan voor een grootschalige leisure-ontwikkeling wordt ‘hangende het beroep’ vervangen door een ander bestemmingsplan (art 6:19 Awb). Omdat het eerste bestemmingsplan is vastgesteld voor de ‘ladder’ (uit 3.1.6 lid 2 Bro) in werking trad, is de ‘ladder’ niet van toepassing.

De ABRS heeft weer eens duidelijk gemaakt dat wanneer je een flexibel bestemmingsplan wilt, de onderbouwing van deze flexibiliteit (de maximale planologische mogelijkheden) wel in de haak moet zijn. Verder is inmiddels ook wel duidelijk dat in bepaalde situaties het voorschrijven van een landschappelijke inpassing d.m.v. een voorwaardelijke verplichting verplicht is. Zoals volgt uit onderstaande uitspraken is hiervoor specifieke juridische en landschappelijke kennis vereist.