De ABRS acht aan de hand van het argument van de gemeenteraad dat geen (milieu)vergunning voor de activiteit zal worden verleend en dat zowel het gemeentebestuur als het provinciebestuur voornemens zijn om in het kader van het milieurecht handhavend op te treden, voldoende aangetoond dat de activiteit nu wel binnen de planperiode beëindigd gaat worden.

De ABRS overweegt:
Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in gevallen als de voorliggende in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Weliswaar kan in het kader van het plan niet handhavend worden opgetreden tegen de scheepswerfactiviteiten op de percelen Industrieweg 2b en 6, maar de raad heeft ter zitting verklaard dat geen omgevingsvergunning voor een inrichting voor deze scheepswerfactiviteiten zal worden verleend en dat zowel het gemeentebestuur als het provinciebestuur voornemens zijn om in het kader van het milieurecht handhavend op te treden tegen deze scheepswerfactiviteiten. Gelet hierop bestaat de gerechtvaardigde verwachting dat de scheepswerfactiviteiten op de percelen Industrieweg 2b en 6 binnen de planperiode zullen worden beëindigd. De raad heeft deze scheepswerfactiviteiten derhalve in redelijkheid opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen.

Opnieuw onder het overgangsrecht brengen van een activiteit kan geoorloofd zijn. Opvallend is dat in bovenstaande uitspraak namens de gemeenteraad wordt aangegeven dat B&W geen (milieu)vergunning zullen verlenen en dat zowel B&W als Gedeputeerde Staten de intentie hebben om handhavend op te treden (omdat er zonder een benodigde (milieu)vergunning een inrichting inwerking wordt gehouden).

Uitspraak 201302102/1/R1 van 15 januari 2014.