De gemeenteraad van Weststellingwerf heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat ziet op twee percelen. De beide percelen behoren tot een voormalig agrarisch bedrijf. De percelen zijn gedeeltelijk bestemd als Woongebied en gedeeltelijk als Agrarisch. De bestemming Woongebied biedt een juridisch-planologische titel voor de bouw van drie woningen. Binnen de bestemming Agrarisch is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Met de wijzigingsbevoegdheid kan de bouw van nog eens 3 woningen mogelijk worden gemaakt.

Appellanten voeren de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) aan en stellen dat niet onderbouwd is dat de woningen voorzien in een actuele regionale behoefte en dat niet in die behoefte kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijke gebied. Zij wijzen er voorts op dat er daar waar de woningen zijn voorzien, sprake is van krimp en dat niet duidelijk is of de wijzigingsbevoegdheid uitvoerbaar is.

Voor de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling overweegt de ABRS als volgt:
Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad er terecht van is uitgegaan dat het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan dient te zijn onderbouwd.

Met betrekking tot de 3 woningen die direct juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt, komt de ABRS tot de conclusie dat de behoefte aan die woningen niet terug te voeren is op een vastgestelde (en op onderzoek gebaseerde) woonvisie / -programma of –plan. De behoefte aan de woningen (en dus de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan) is ook anderszins niet in voldoende mate aangetoond.

Met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid (voor 3 woningen) overweegt de ABRS als volgt:
Hoewel de behoefte aan woningbouw bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid niet behoeft vast te staan dienen er wel aanknopingspunten te zijn om aan te nemen dat deze behoefte zich binnen de planperiode zal kunnen voordoen. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting zijn zulke aanknopingspunten gebleken. Voor zover de raad stelt dat om die reden juist is gekozen voor flexibiliteit door middel van de wijzigingsbevoegdheid, overweegt de Afdeling dat niet inzichtelijk is gemaakt dat binnen de planperiode behoefte zal bestaan aan de woningen die de wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt.

De ladder voor duurzame verstedelijking, het begrip stedelijke ontwikkeling en het begrip bestaand stedelijk gebied worden steeds belangrijker in de motivering van bestemmingsplannen. Deze begrippen refereren in feite aan een goede stedenbouwkundige onderbouwing. Ik vermoed dat het hebben van beleid op deze punten onontkoombaar is. Ook als de ladder niet van toepassing is, zal toch aandacht geschonken moeten worden aan de behoefte-vraag. Met name bij woningbouw is het dan belangrijk om te kunnen verwijzen naar vastgestelde woonvisies / programma’s of plannen. Bij dit alles moeten ook zeker de eisen van de van toepassing zijnde provinciale verordening ruimte niet uit het oog worden verloren.

Kortom: bestemmingsplannen in crisistijd, leuker kunnen we het niet maken maar ook zeker niet makkelijker.

ABRS 18 december 2013, 201302867/1/R4.