B&W van Den Haag besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eigenaren van tuinhuisjes op een volkstuinencomplex vanwege het gebruik van deze tuinhuisjes tbv nachtverblijf. Voor de gronden is een beheersverordening van kracht waarin het gebruik tbv nachtverblijf niet is toegestaan. In het overgangsrecht van de beheersverordening is opgenomen dat het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van de beheersverordening bestond maar in strijd is met de beheersverordening, mag worden voortgezet. Daarnaast bepaalt het overgangsrecht dat het voorgaande niet geldt voor gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan (de standaard overgangsrechtelijke bepaling zoals het Bro die voorschrijft voor bestemmingsplannen).

B&W stellen dat het gebruik van de tuinhuisjes tbv nachtverblijf niet onder het overgangsrecht van de beheersverordening valt omdat dit gebruik reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

Het tweede gedeelte van de overgangsrechtelijke bepaling (het uitzonderen van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan), wordt door de rechtbank onverbindend verklaart wegens strijd met artikel 3.38 Wro. Hiermee vervalt de grondslag voor de handhaving (het gebruik van de tuinhuisjes voor nachtverblijf valt dan namelijk onder het overgangsrecht van de beheersverordening).

De rechtbank overweegt dat de gemeenteraad bij hantering van de beheersverordening de keuze heeft om ofwel het feitelijke bestaand gebruik als legaal gebruik vast te leggen ofwel het bestaande planologische regime zonder wijziging te continueren. De rechtbank redeneert dat onder het feitelijk bestaande gebruik (zoals hiervoor bedoeld) ook het feitelijke bestaande gebruik dat in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan wordt begrepen.

De rechtbank ziet het niet positief bestemmen van het nachtverblijf (feitelijk bestaande doch illegale gebruik) als een aanwijzing dat de gemeenteraad bij het opstellen van de beheersverordening een ruimtelijke ontwikkeling voorzag. En als een ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien mag geen beheersverordening worden vastgesteld.

De rechtbank concludeert dat een gemeenteraad die streeft naar beëindiging van gebruik dat in strijd is met een bestaand bestemmingsplan, moet kiezen tussen ofwel het feitelijk (laten) beëindigen van dat gebruik voorafgaand aan de inwerkingtreding van een beheersverordening ofwel het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan dat voorziet in een geclausuleerd overgangsrecht (= standaardbepaling Bro waarin het bestaande doch illegale gebruik wordt uitgesloten van het overgangsrecht). Vanzelfsprekend is het wel mogelijk om in de beheersverordening het feitelijk bestaande doch illegale gebruik toe te staan (en daarmee te legaliseren).

Uitspraak 03-07-2013 Rechtbank Den Haag
ECLI: NL: RBDHA: 2013: 7607