Hieronder enkele overwegingen uit de uitspraak:
4. NSI en Weller en andere betogen dat het plan een te grote toename van de oppervlakte voor detailhandel mogelijk maakt. Zij vrezen leegstand en verpaupering en aantasting van het woon-, werk- en leefmilieu in de omgeving vanwege deze toename. Volgens NSI is ten onrechte niet voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). NSI en Weller en andere wijzen erop dat aan het standpunt van de raad dat voldoende marktruimte bestaat voor de toevoeging van oppervlakte voor detailhandel onvoldoende en ondeugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Tevens wijzen zij op het project Maankwartier in Heerlen, dat eveneens voorziet in oppervlakte voor detailhandel.

4.6. De raad betoogt dat het verzoek van NSI en Weller en andere niet kan slagen omdat artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van de besluiten in de hoofdzaak in de weg staat. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro stelt een aantal voorwaarden aan de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Deze voorwaarden beogen onder meer een nieuwe stedelijke ontwikkeling af te stemmen op de geconstateerde actuele behoefte en de wijze waarop in deze behoefte wordt voorzien ook regionaal af te stemmen. Op deze wijze moet over- en ondercapaciteit in stedelijke ontwikkeling zoveel mogelijk worden voorkomen. De voorzitter is er op voorhand niet van overtuigd dat art. 3.1.6, tweede lid, van het Bro hiermee kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van NSI en Weller, nu NSI eigenaar is van het naastgelegen winkelcentrum ’t Loon en Weller de ontwikkelaar is van het in het stationsgebied gelegen Maankwartier.

4.7. De voorzitter begrijpt dat, wil de raad zijn ambities voor het centrum van Heerlen kunnen realiseren, omvangrijke initiatieven nodig zijn om tot een kwaliteitsverbetering te komen. Ook begrijpt de voorzitter dat verwacht mag worden dat een kwalitatief hoogwaardiger centrum een sterkere aantrekkingskracht op het bezoekende en winkelende publiek zal uitoefenen dan het huidige centrum en dat in zoverre een ruimer en beter aanbod zijn eigen vraag kan scheppen. Het plan maakt echter meer dan een verdrievoudiging van de bestaande oppervlakte voor detailhandel mogelijk. Nu het plan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden voor detailhandel is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. De voorzitter overweegt dat Heerlen een hoog leegstandspercentage kent. In het Maankwartier wordt eveneens voorzien in nieuwe oppervlakte voor detailhandel, waarvan ongeveer de helft is verhuurd, maar de andere helft nog niet. Ook de in het Schinkelkwadrant Zuid voorziene uitbreiding van de oppervlakte voor detailhandel is voor ongeveer de helft verhuurd aan Primark, maar voor de overige helft nog niet. Verder begrijpt de voorzitter dat het winkelcentrum ’t Loon grotendeels leeg staat en in verval is geraakt. Het Third Place-rapport bevat onzekerheden ten aanzien van de uitgangspunten voor de berekening van de marktruimte voor de toename van de oppervlakte voor detailhandel. Dat het percentage van 31% volgens Plu in bijlage II is verantwoord neemt, reeds omdat in bijlage II evenmin is aangegeven waarop dit percentage is gebaseerd, dat kritiekpunt en de overige kritiekpunten die in het BSP-rapport staan niet weg. Gelet op deze gegevens en gezichtspunten betwijfelt de voorzitter of de grote toename van de oppervlakte voor detailhandel in een actuele regionale behoefte voorziet. Tevens betwijfelt de voorzitter of de raad deze toename in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als een goede ruimtelijke ordening voor het centrum van Heerlen in het algemeen en het plangebied in het bijzonder.

Als het gaat om het aantonen van de behoefte (actuele regionale) aan detailhandel is ook de brief van de minister van 9 januari 2014 relevant. In deze brief stelt de minister:
De voorgenomen wijziging van artikel 3.1.6 van het Bro ziet op een nieuw vierde lid, waarin duidelijk gemaakt wordt dat het onderzoek naar de actuele regionale behoefte, bedoeld in het tweede lid, in het geval dat het bestemmingsplan ziet op de vestiging van een dienstenactiviteit, geen betrekking mag hebben op de economische behoefte, de marktvraag, de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van een met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte nieuwe stedelijke ontwikkeling of de beoordeling van de geschiktheid van die nieuwe stedelijke ontwikkeling in relatie tot door de gemeenteraad vastgestelde doelen van economische planning. Detailhandel wordt in de brief als dienstenactiviteit in de zin van de dienstenrichtlijn gezien.

Wij wachten met spanning op de uitspraak van de ABRS in de bodemprocedure.

Vz. ABRS 17 februari 2014, 201310222/2/R6.

De ontwikkelingen rond de ladder voor duurzame verstedelijking gaan maar door. Wij merken dat de praktijk enorm worstelt met dit vraagstuk. Het is dan ook van groot belang om de ontwikkeling in de jurisprudentie (en ook de provinciale verordeningen die op dit moment worden opgesteld (o.a. in Brabant en Gelderland)) nauwlettend in de gaten te houden.