De ABRS overweegt:
3.7. De Afdeling begrijpt het betoog van (appellant A) en (appellant B) dat niet kon worden volstaan met persoonsgebonden overgangsrecht aldus dat de raad volgens hen mede in overweging had moeten nemen of in het voorliggende geval een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen ten behoeve van het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning in plaats van een persoonsgebonden overgangsrecht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2013, in zaak nr. 201211936/1/R1, overweegt de Afdeling dat het in een situatie als de onderhavige op de weg van de raad ligt om te bezien of voor het betrokken geval een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in plaats van persoonsgebonden gebruiksovergangsrecht. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat de woning als bedrijfswoning wordt bestemd met de daarbij behorende bouwregels, maar dat in afwijking van het verbod van burgerbewoning, dit gebruik wordt toegestaan, met dien verstande dat op het moment dat de burgerbewoning van de desbetreffende woning eindigt, dit gebruik hierna niet langer is toegestaan. Een dergelijke uitsterfregeling is niet persoonsgebonden en biedt meer zekerheid voor de bewoners.

Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat hij niet heeft gekozen voor een uitsterfregeling omdat het door de raad beoogde doel - het beëindigen van dit ongewenste gebruik teneinde de bedrijfsbestemming zo spoedig mogelijk ten volle te laten gelden - met het opnemen van een uitsterfregeling minder snel zal worden bereikt. In dat geval kan de woning immers steeds opnieuw worden verkocht aan eenieder en zal het gebruik als burgerwoning derhalve langer kunnen blijven voortduren, zo heeft de raad toegelicht. De keuze voor persoonsgebonden overgangsrecht in plaats van een uitsterfregeling doet volgens de raad voorts geen afbreuk aan de verkoopbaarheid van de woning omdat deze als bedrijfswoning aantrekkelijk is voor kopers die bedrijven exploiteren op het bedrijventerrein. Zij kunnen de woning immers als - extra - bedrijfswoning betrekken bij hun bedrijf, aldus de raad. Daarbij heeft de raad naar voren gebracht dat het bedrijf waarbij de woning mag worden betrokken overal op het bedrijventerrein mag zijn gelegen.

De Afdeling overweegt dat hoewel het gebruik onder een uitsterfregeling mogelijk langer blijft voortbestaan, een uitsterfregeling - net als persoonsgebonden overgangsrecht - naar haar aard een tijdelijke regeling is en er niet aan afdoet dat de woning is bestemd voor gebruik als bedrijfswoning. De Afdeling acht niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de keuze voor een uitsterfregeling zou leiden tot grotere ruimtelijke implicaties dan die welke gepaard gaan met de huidige planregeling die strekt tot toekenning van de bestemming 'Bedrijf' met de aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'specifieke vorm van bedrijf - woning, welke laatstgenoemde aanduiding ziet op persoonsgebonden overgangsrecht. De Afdeling acht voorts het argument van de raad dat het belang van (appellant A) en (appellant B) niet wordt geschaad doordat de woning als bedrijfswoning aantrekkelijk is voor kopers afkomstig van het bedrijventerrein niet overtuigend, onder meer gezien de vraag die vanaf dit terrein kan worden verwacht naar bedrijfswoningen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre hij rekening heeft gehouden met de belangen van (appellant A) en (appellant B) bij de keuze tussen het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht of het opnemen van een uitsterfregeling. Het bestreden besluit berust gelet hierop in zoverre, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet op een deugdelijke motivering. Ik vraag me af of het persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is als het bestaande gebruik onder het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan valt. In een dergelijk geval is het gewone overgangsrecht immers ook toepasbaar.
Dat de gemeenteraad niet kan aantonen dat het gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd is mijns inziens geen ‘onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan’ (als bedoeld in artikel 3.2.3 Bro).

Dat een activiteit ten tweede male onder overgangsrecht kan worden gebracht is evident. Je moet dit echter wel goed motiveren, zie ons vorige artikel.