In deze uitspraak stelt de ABRS dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat er binnen de planperiode van 10 jaar wel behoefte aan de voorziene ontwikkelingen is. Dit betekent dat de behoefte aan een voorziening ook moet worden aangetoond indien de ‘ladder’ niet van toepassing is.

In het onderstaande is per functie aangegeven op welke wijze getracht is om de behoefte aan te tonen.

Detailhandel:
er is een dpo uitgevoerd waarin is geconcludeerd dat er ruimte is voor detailhandel in bepaalde branches en tot een bepaald oppervlak. Eveneens is geconcludeerd dat de effecten op de bestaande detailhandelsstructuur zeer beperkt zijn. Omdat de branchering en maximum oppervlakte in het bestemmingsplan zijn vastgelegd overeenkomstig de resultaten van het uitgevoerde dpo, neemt de ABRS aan dat de behoefte voldoende onderzocht en gereguleerd is.

Kantoren:
uit een onderzoek volgt dat er vanuit de markt grote interesse bestaat voor de locatie vanwege de goede bereikbaarheid, de goede ligging ten opzichte van het centrum en de directe nabijheid van woningen en voorzieningen. De ABRS is van oordeel dat daarmee voldoende is aangetoond dat in een behoefte wordt voorzien! Ook van belang is dat het leegstandspercentage maar 6% bedraagt en dat de gemeenteraad de leegstaande kantoren ongeschikt acht voor hervestiging van kantoren en dat juist een beleid wordt voorgestaan om de leegstaande kantoren geschikt te maken voor een andere functie.

Leisure-ontwikkeling:
de behoefte aan deze ontwikkeling is met name vanuit een kwalitatief oogpunt gemotiveerd. Hierbij wordt gewezen op de locatiekwaliteiten, de huidige vestigingseisen / wensen en een vergelijking gemaakt met andere leisure-ontwikkelingen in de regio (er is (natuurlijk) geen vergelijkbare in de regio).

Omdat een betaalde voetbalorganisatie zich (na vaststelling van het bestemmingsplan) terugtrok uit het project, en de komst van het voetbalstadion wel was meegenomen in de onderzoeken en toelichting van het bestemmingsplan, is de behoefte (naar het oordeel van de ABRS) aan de leisure-ontwikkeling (en daarmee de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan) onvoldoende aangetoond.

Naast het aantonen van de behoefte is deze uitspraak ook om een andere reden lezenswaardig:
De ABRS spreekt uit dat maatregelen als een geluidreducerend wegdek en snelheidsverlaging niet als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan hoeven te worden opgenomen. Zij hanteert de volgende overweging: “De raad heeft toegezegd dat deze maatregelen zullen worden getroffen. Nu de gemeente het in haar macht heeft om bedoelde maatregelen te treffen en niet is gebleken van belemmeringen die zich hiertegen verzetten, is de Afdeling thans van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van verplichtingen daartoe in het bestemmingsplan.”
Lees ik in deze en de uitspraak waarnaar de ABRS verwijst, nu goed dat een voorwaardelijke verplichting niet noodzakelijk is wanneer de gemeente het in haar macht heeft om de voorziening te realiseren? Ook al is de voorziening vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk?

Ik denk het wel…..

ACLI:NL:RVS:2014:2929