Flexibele bestemmingsplannen

Indien het de insteek van een bestemmingsplanproces is om een flexibel bestemmingsplan te maken, is het van groot belang dat de (milieu)onderzoeken en de ruimtelijke onderbouwing zijn afgestemd op de maximale planologische mogelijkheden. Vaak wordt er in de valkuil getrapt dat de onderbouwing van bijvoorbeeld het aspect geluid of parkeren is gedaan aan de hand van een stedenbouwkundig plan of een concreet bouwplan terwijl het de bedoeling van het bestemmingsplan is om functioneel en qua bouwmogelijkheden meer ruimte te bieden. Met name bij flexibele bestemmingsplannen is het dan ook zaak om scherp te zijn op de ruimtelijke onderbouwing (inclusief de verrichte onderzoeken) zoals deze is opgenomen in de toelichting.

Hieronder enkele overwegingen van de ABRS met betrekking tot de aspecten geluid en parkeren:

Geluid
10.6. Vast staat dat bij het onderzoek naar en de beoordeling van de te verwachten geluidhinder alleen de activiteiten van een scouting, gilde en een vereniging voor jeugdvakantiewerk zijn meegenomen. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 4, lid 4.1, van de planregels binnen de bestemming "Maatschappelijk" ook nog andere soorten verenigingen zijn toegestaan. Daarnaast bevat het plan geen omschrijving van het begrip "maatschappelijke doeleinden" als genoemd in artikel 3, lid 3.1, van de planregels, zodat binnen de bestemming "Groen" andere activiteiten zijn toegestaan. Nu het plan meer soorten activiteiten mogelijk maakt dan waarvan in het verrichte akoestisch onderzoek is uitgegaan is de beoordeling van de te verwachten geluidhinder op dit punt onzorgvuldig.

Parkeren
12.1. Uit de nota van zienswijzen volgt dat de raad bij de inschatting van de parkeerbehoefte heeft aangesloten bij de richtlijnen van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW met betrekking tot verenigingsgebouwen. In de richtlijnen wordt bij een verenigingsgebouw per 100 m2 brutovloeroppervlak in niet stedelijk gebied aangeraden om drie parkeerplaatsen aan te houden. De beoogde accommodatie heeft een oppervlakte van 630 m2. Aan de hand hiervan neemt de raad het standpunt in dat de parkeerbehoefte ongeveer 18 parkeerplaatsen bedraagt. De omliggende gronden op het scouting- en gildeterrein zijn evenwel niet meegenomen in de schatting van de parkeerbehoefte. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat de activiteiten van de scouting en het gilde op de gronden buiten het verenigingsgebouw geen extra parkeerbehoefte zullen genereren naast de parkeerbehoefte die samenhangt met activiteiten in het verzamelgebouw. Daarbij komt dat de raad de mogelijkheid dat andere verenigingen dan een scouting, schuttersgilde en een vereniging voor jeugdvakantiewerk gebruik zullen maken van de locatie niet heeft meegenomen bij de schatting van de parkeerbehoefte. Gelet hierop heeft de raad zijn stelling dat de voorziene activiteiten een parkeerbehoefte zullen genereren van ongeveer 18 parkeerplaatsen en dat hiervoor voldoende ruimte aanwezig is op de gronden met de aanduiding "parkeerterrein" niet afdoende onderbouwd.

Voorwaardelijke verplichting

De gemeenteraad heeft in de toelichting van het bestemmingsplan uitgesproken dat een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk is voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. De landschappelijke inpassing is echter niet ‘vastgelegd’ in een voorwaardelijke verplichting. De ABRS oordeelt dat dit wel had gemoeten:

14. [appellant sub 3] voert aan dat een inrichtingsplan is vastgesteld dat voorziet in de aanleg van beplanting en de landschappelijke inpassing van het plangebied in de omgeving. De planregels bevatten volgens hem ten onrechte geen waarborg dat deze landschappelijke inpassing ook daadwerkelijk gerealiseerd zal worden.

14.1. De plantoelichting vermeldt dat, gelet op het feit dat het terrein aan de rand van het buitengebied ligt, een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk is met het oog op de overgang naar het buitengebied. Hiertoe is een inrichtingsplan opgesteld dat onder andere voorziet in beplanting op de grens van het plangebied aan de straatzijde. Het plan voorziet binnen de bestemming "Groen" in groenstroken en andere aanplantingen. Het plan bevat echter geen voorwaardelijke verplichting hiertoe. Nu de raad de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing noodzakelijk acht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, heeft hij de aanleg en instandhouding daarvan ten onrechte niet in het plan geregeld. Het gegeven dat de gemeente de eigenaar is van deze gronden doet hieraan niet af. Niet valt in te zien dat de raad geen regel in het plan heeft kunnen opnemen, inhoudende dat het gebruik van het terrein in overeenstemming met de bestemming alleen dan planologisch is toegestaan indien de landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand wordt gehouden in overeenstemming met het inrichtingsplan. Het betoog van [appellant sub 3] dat de landschappelijke inpassing onvoldoende in het plan is gewaarborgd slaagt.

Dat het opnemen van een voorwaardelijke verplichting geen sinecure is, volgt uit de uitspraak met nummer 201300042/3/R2. De tussenuitspraak van de ABRS bevatte een vergelijkbare overweging als hierboven. De gemeenteraad meende dit gebrek te herstellen door de volgende regel aan het bestemmingsplan toe te voegen: het gebruik van de gronden overeenkomstig de bestemming "Bedrijf" met de nadere aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - mestvergistingsinstallatie’ is alleen toegestaan indien de landschappelijk inpassing, zoals weergegeven in bijlage 1, wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. Een bijlage met een overzicht van de landschappelijke inpassing is aan de regels gevoegd.

Onderstaande afbeelding was als bijlage bij de regels gevoegd:

landschappelijke inpassing

De ABRS oordeelde dat met deze regel en met name met deze bijlage, geen duidelijkheid wordt gegeven op welke wijze de landschappelijke inpassing moet worden ingevuld. De ABRS verwachtte ook dat vastgelegd zou worden om welke soort beplanting het gaat en wat de hoogte en dichtheid van deze beplanting zou moeten zijn. Daarnaast moeten eigendomsverhoudingen niet aan de uitvoering van de voorwaardelijke verplichting in de weg staan.

Met andere woorden de voorwaardelijke verplichting moet voldoende rechtszeker zijn, handhaafbaar zijn en uitvoerbaar zijn.

De overweging van de ABRS:
6.2. In artikel 3.3, onder g, van de planregels wordt verwezen naar de landschappelijk inpassing, zoals die is weergegeven in bijlage 1. Bijlage 1 bij de planregels bevat een tekening waarop het perceel is weergegeven met de daarop aanwezige voorzieningen. Op en nabij de perceelsgrenzen, deels buiten de grenzen van het perceel waarop de mestvergister is voorzien, staan cirkeltjes. Voorts is nabij de perceelsgrenzen, met name daar waar ook de cirkeltjes staan, een arcering aangebracht. Noch op de bijlage, noch anderszins in de planregels is vermeld welke betekenis aan de cirkels en de arcering moet worden toegekend. Voor zover de raad daartoe heeft gesteld dat de bijlage in samenhang moet worden bezien met de plantoelichting, wordt overwogen dat aan de plantoelichting geen juridisch bindende betekenis toekomt. Het plan biedt gelet op het voorgaande geen duidelijkheid over de wijze waarop de voorwaardelijke verplichting die is neergelegd in artikel 3.3, onder g, van de planregels moet worden ingevuld. Gelet op de aard en de hoogte van de voorziene bebouwing en het open en relatief onbebouwde karakter van de omgeving had het op de weg van de raad gelegen om in de planregels vast te leggen welke soort beplanting voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorziene ontwikkeling noodzakelijk is en wat de hoogte en de dichtheid daarvan moeten zijn. Daarbij dient de raad zich er tevens van te vergewissen dat de voorwaardelijke verplichting uitvoerbaar is gelet op de eigendomsverhoudingen.

Gelet op het voorgaande is de voor de realisering van het plan noodzakelijk geachte landschappelijke inpassing niet planologisch verzekerd.

ABRS 2 april 2014, 201211516/1/R3 en 201300042/3/R2