In de eerste uitspraak gaat het om een forse uitbreiding van een bestaand bedrijf. De ABRS komt tot de conclusie dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook het gemak waarmee de ABRS schijnbaar voorbij gaat aan de motiveringsplicht rond de vraag of er in het bestaand stedelijk gebied van de regio ruimte is voor de betreffende ontwikkeling, is het signaleren waard. De gemeente kent een zwaarder gewicht toe aan het belang van het bedrijf om op de huidige locatie uit te breiden en heeft niet onderzocht of in het bestaand stedelijk gebied van de regio nog ruimte is.

In de tweede uitspraak ging het om een nieuwvestiging van een bedrijf (verplaatsing). De ABRS nam hier aan dat geen sprake was van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ik zou denken dat de ladder voor duurzame verstedelijking hier meer zin had dan in de situatie van de eerste uitspraak, maar goed, de eerste trede van de ladder hoeft pas beklommen te worden indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit begrip, net als de ladder in het geheel trouwens, zal nog veel jurisprudentie gaan opleveren! Zie bijvoorbeeld Bestemmingsplannen in crisistijd.

Uitspraak 1
Een flinke uitbreiding van een bestaand bedrijf in het buitengebied (met 4.700 m² aan bouwmogelijkheden) wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking zoals deze in 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen.
Gevolg daarvan is dat in de toelichting van het bestemmingsplan moet worden gemotiveerd dat er sprake is van een actuele regionale behoefte en dat hierin niet voorzien kan worden binnen bestaand stedelijk gebied (van de regio!). De gemeente heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een actuele regionale behoefte door erop te wijzen dat het bedrijf haar bedrijfsactiviteiten wenst te concentreren op één locatie en het bestemmingsplan in overleg met een andere gemeente en de provincie is opgesteld. Daarnaast heeft de gemeente gesteld dat hoewel er wellicht (dus niet onderzocht) binnen bestaand stedelijk gebied van de regio ruimte bestaat voor de voorziene bedrijfsactiviteiten, een zwaarder belang moet worden toegekend aan de uitbreiding van het bedrijf op de locatie in het landelijke gebied. Zwaarwegende argumenten zijn dat het bedrijf geassocieerd wil worden met het landelijke gebied, het een uitbreiding van een bestaand bedrijf betreft en verplaatsing van het bedrijf om financiële redenen niet haalbaar is.

Omdat deze onderbouwing, die de ABRS niet onredelijk vind!, niet in de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen, is er sprake van strijd met artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daar komt nog bij dat de derde trede; is er sprake van een passende ontsluiting? niet aan de orde is gekomen. Als je kijkt naar de belangenafweging die verricht is, lijkt mij dit echter een wassen neus.

De uitspraak roept bij mij de vraag op wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Indien daar ook de uitbreiding van bestaande bedrijven onder gerekend moet worden, lijkt de ladder en de motiveringsplicht, te verworden tot een trucje:
Het bestaande bedrijf heeft namelijk een uitbreidingswens (om haar voortbestaan te garanderen) dus is er sprake van een actuele regionale behoefte. Het betreft een uitbreiding van een bestaand bedrijf en verhuizing van dit bedrijf naar een bedrijventerrein is financieel niet haalbaar. De bestaande locatie was passend ontsloten, de uitbreiding verandert daar niet veel aan. Misschien is het wenselijk om een bestaande weg enigszins te verbreden, maar dit is financieel niet haalbaar.

Hieronder de overwegingen van de ABRS:

11.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein op het perceel Bruninksweg 5a met 8.500 m² en daarbij voorziet in ongeveer 4.700 m² aan extra bouwmogelijkheden. Gelet hierop voorziet het bestemmingsplan in een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

11.2.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat De Zuivelhoeve van oudsher op de Bruninksweg 5a is gevestigd. De Zuivelhoeve wenst haar bedrijfsactiviteiten, die thans op verschillende locaties binnen de regio Enschede - Hengelo - Raalte - Lichtenvoorde worden uitgevoerd, te concentreren op één locatie aan de Bruninksweg 5a. In dit verband heeft de raad toegelicht dat voor de bedrijfsvoering van De Zuivelhoeve, die is toegespitst op een niche 'boerderijzuivel' binnen de nationale zuivelmarkt, de landelijke uitstraling van deze locatie van belang is. Voorts wordt de benodigde melk blijkens de plantoelichting grotendeels betrokken van lokale/regionale boerderijen en brengt de aanwezigheid van De Zuivelhoeve volgens de raad de nodige werkgelegenheid met zich. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat vanwege het voorgaande met de voorziene uitbreiding van een bestaand bedrijf in een landelijke groene omgeving wordt geacht te zijn voorzien in een actuele regionale behoefte zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. De Afdeling acht dit standpunt in het onderhavige geval niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de raad te kennen heeft gegeven dat het bestemmingsplan in overleg met de provincie en gemeente Enschede tot stand is gekomen.

11.2.2. In het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro heeft de raad erkend dat binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio mogelijk ruimte bestaat voor de voorziene bedrijfsactiviteiten. De raad meent evenwel dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan het belang bij de uitbreiding van De Zuivelhoeve op het perceel Bruninksweg 5a. In dit verband heeft de raad betoogd dat juist de landelijke uitstraling van het perceel Bruninksweg 5a van De Zuivelhoeve van groot belang is voor de bedrijfsvoering van De Zuivelhoeve, omdat het zuivelbedrijf zich daarmee binnen de zuivelmarkt wenst te onderscheiden van de grotere zuivelproducenten. Een verplaatsing van De Zuivelhoeve naar een andere locatie zou daarnaast volgens de raad leiden tot kapitaalvernietiging en tevens onevenredige bedrijfseconomische gevolgen hebben voor De Zuivelhoeve. De raad acht voorts het voortbestaan van De Zuivelhoeve op het perceel Bruninksweg 5a van groot belang voor de betrokken lokale en regionale boerderijen en de werkgelegenheid in Hengelo.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, gelet op het voorgaande, in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro in het onderhavige geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in deze regionale behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Hierbij wordt voorts van belang geacht dat het hier gaat om de uitbreiding van een bestaand bedrijf dat reeds van oudsher op die locatie gevestigd is.

11.3. Het voorgaande is in de plantoelichting evenwel niet aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, onder a en b, van het Bro inzichtelijk gemaakt. Evenmin is aan de hand van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro in de plantoelichting beschreven in hoeverre de voorziene stedelijke ontwikkeling, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend wordt ontsloten. Het bestemmingsplan is dan ook in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld. Het betoog van de Vereniging slaagt.

23 april 2014, 201304503/1/R1.

Uitspraak 2
De tweede uitspraak heeft betrekking op een bestemmingsplan dat voorziet in de verplaatsing van een installatietechniekbedrijf naar een perceel buiten de kern. Gelet op de kleinschalige bedrijfsbebouwing die mogelijk wordt gemaakt (bedrijfsgebouw van 400 m²), de beperkte omvang van het terrein als geheel (2.360 m²) en de beperkte gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming (bedrijven van categorie 1 tot en met 3.1), is de ABRS van mening dat er in dit geval geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Nb: in tegenstelling tot uitspraak 1 betrof uitspraak 2 de vestiging (eigenlijk verplaatsing) van een bedrijf op een voorheen blanco locatie. Juist in dit soort situaties lijkt een afweging of er sprake is van duurzaam ruimtegebruik (toepassing van de ladder) mij echter wel op zijn plaats.

Zie ABRS 23 april 2014, 201306183/1/R3.