Motivering afwijken provinciaal en gemeentelijk beleid

Motivering afwijken provinciaal en gemeentelijk beleid

In 2021 heeft de gemeente Zaltbommel het bestemmingsplan ‘Bruchem, Krangstraat (Veldzicht) tussen 3b en 7’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de komst van 49 nieuwbouwwoningen mogelijk op gronden waar voorheen een agrarische bestemming vigeerde.

In het beroep tegen dit bestemmingsplan wordt strijd met de structuurvisie en strijd met de omgevingsvisie naar voren gebracht. Hoewel uiteindelijk de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, laat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) zien dat afwijken van een structuurvisie of omgevingsvisie een degelijke motivering vereist, ook als slechts een klein gedeelte van het plangebied binnen de reikwijdte van de structuurvisie valt.


Appellant en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Buitengebied Zaltbommel. Daartoe voeren zij aan dat de voorziene woningbouw te omvangrijk, te dichtbebouwd en te hoog is, waardoor de in de Structuurvisie beschreven overgang van het kleinschalige landschap naar de relatief open komgebieden tenietgaat. De raad van de gemeente Zaltbommel stelt dat slechts een gedeelte van het plangebied binnen de reikwijdte van de Structuurvisie valt. Op dat gedeelte maakt het plan tien woningen mogelijk. Dat gedeelte is in de Structuurvisie aangemerkt als ‘Gemengd landelijk gebied’. Volgens de Structuurvisie is binnen ‘Gemengd landelijk gebied’ ruimte voor functieverandering naar wonen, zo stelt de raad. Verder wijst de raad erop dat het grootste deel van de voorziene woningen binnen de bebouwde kom van Bruchem ligt en dat het plangebied is gesitueerd tussen twee bestaande bebouwingslinten. In de Structuurvisie is beschreven dat woningbouw zoveel mogelijk binnen de bebouwde kommen van de kern moet plaatsvinden, zodat het landelijke karakter van het buitengebied zoveel mogelijk behouden blijft. In dat opzicht sluit het woningbouwplan goed aan bij de Structuurvisie, zo stelt de raad.


De Afdeling oordeelt dat de raad terecht stelt dat de Structuurvisie binnen "Gemengd landelijk gebied" ruimte biedt voor functieverandering naar wonen. Op p. 63 van de Structuurvisie is echter vermeld dat binnen "Gemengd landelijk gebied" onder ‘ruimte voor ruimte’ wordt verstaan ‘sloop bedrijfsgebouwen + bouw van 1, 2 of 2 vrijstaande (individuele) woningen’ (de Afdeling gaat ervan uit dat dit een verschrijving is en dat is bedoeld ‘1, 2 of 3 vrijstaande (individuele) woningen’). Verder blijkt uit een tabel op p. 63 van de Structuurvisie dat zelfs bij de sloop van meer dan 5.000 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen ‘3 vrijstaande woningen tot max. 750 m3 per woning of 2 vrijstaande woning tot max. 1.200 m3 per woning’ mogelijk zijn. Daarnaast is op p. 68 van de Structuurvisie vermeld: ‘Het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied is in principe uitgesloten. Alleen in het kader van functieverandering of in het kader van de herstructurering van de glastuinbouw (zie paragraaf 6.6) is de bouw van nieuwe woningen mogelijk, zoals hergebruik van karakteristieke/beeldbepalende voormalige boerderijgebouwen (woning met aangebouwde deel) in één of meerdere woningen (maximaal drie), of onder voorwaarden zijn 1 tot 3 vrijstaande woningen mogelijk, waarbij ook eventuele karakteristieke/beeldbepalende gebouwen behouden mogen blijven (zie paragraaf over functieverandering). Voor het overige dient de bouw van woningen plaats te vinden binnen de bebouwde kommen van de kernen, zodat het landelijke karakter van het buitengebied zoveel mogelijk behouden blijft.’ Op het gedeelte van het plangebied dat binnen de reikwijdte van de Structuurvisie valt, maakt het plan tien woningen mogelijk. De raad stelt tevergeefs dat geen sprake is van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en dat daarom de in de Structuurvisie vermelde maxima voor compenserende woningbouw niet van toepassing zijn. In de Structuurvisie is immers vermeld dat het uitgangspunt is dat de bouw van woningen moet plaatsvinden binnen de bebouwde kommen van de kernen en dat daarbuiten het bouwen van nieuwe woningen alleen in het kader van functieverandering of herstructurering van de glastuinbouw mogelijk is. De stelling van de raad zou betekenen dat als geen bebouwing wordt gesloopt, er geen maximum zou gelden voor het aantal nieuw te bouwen woningen. Uit de tabellen op p. 63 van de Structuurvisie volgt daarentegen dat minstens 500 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen moet worden gesloopt voordat compenserende woningbouw hoe dan ook mogelijk is. Gelet op het voorgaande, is het plan, voor zover het binnen de reikwijdte van de Structuurvisie tien woningen mogelijk maakt, in strijd met de Structuurvisie. Niet is gebleken van een motivering tot afwijking van de Structuurvisie.


Ten aanzien van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland wordt aangevoerd door appellant dat het uitgangspunt van deze omgevingsvisie is dat in de kernen wordt gebouwd en dat uitbreiding aan de randen van steden of dorpen slechts een uiterst redmiddel is. Omdat de Krangstraat niet kan worden aangemerkt als de kern van Bruchem, is de uitbreiding volgens appellant in strijd met de provinciale omgevingsvisie.


In de provinciale omgevingsvisie is in algemene zin gesteld dat pas als er geen andere mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van steden en dorpen. In de provinciale omgevingsvisie is echter ook vermeld dat zorgvuldige locatie-afwegingen op regionaal niveau moeten worden gemaakt, waarbij de duurzame verstedelijking wordt ingezet. De raad heeft de behoefte aan de voorziene woningen specifiek voor de kern Bruchem beoordeeld, zo volgt uit overweging 9.3. Gelet op wat onder 9.3 en verder over de ladder voor duurzame verstedelijking is overwogen, ziet de Afdeling alleen al daarom in wat appellant en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de provinciale omgevingsvisie is vastgesteld.

 

 

 

Buro Waalbrug   
Schoenaker 10
6641 SZ Beuningen
info@burowaalbrug.nl
024 - 675 23 56